Cuba en Columbus
Het is goed gedocumenteerd dat Christoffel Colombus op 28 Oktober 1492 tijdens zijn inaugurele reis aan de „Nieuwe Wereld,“ Rodrigo DE Xerez en Luis DE Torres het binnenland van een groot eiland instuurde.
Daar ontmoetten de Spanjaarden de inheemse mensen en dat zal beslist een opmerkelijke bijeenkomst van culturen, kleding, talen en bedoelingen geweest zijn. Er kwam een uitnodiging waarin de ontdekkingsreizigers werden verzocht om in het dorpshuis (caney) met de leider van de stam (Cacique) en de priester (Behique) te spreken. Als gebaar van vriendschap kregen de zeelieden een gift in de vorm van een rol gedroogde bladeren genaamd Cohiba.
Na het delen van een maaltijd met zijn gasten neemt de stamleider een y-Vormige buis genaamd tobacco. Hij doet er gedroogde bladeren in, steekt het aan met een stukje hout genaamd cuaba en inhaleert de bittere rook in zijn neusgaten. Hij biedt de bezoekers zowel cohiba als tobacco aan, maar deze slaan even een beurt over keren terug naar het schip.
Columbus keert met de bladeren terug in Europa en introduceert deze daar met de verkeerde naam tobacco. Hij verwisseld de inheemse namen voor de bladeren en de pijp die werd gebruikt om hen te plezieren(?).
Spanje beheerste het eiland (1511) en vanaf 1515 was Cuba de uitvalsbasis voor de Spaanse verovering van Amerika en de Caraïben geworden. De huidige plaats Havana werd in 1519 gesticht. Bovendien werden Afrikaanse slaven ingevoerd als hulp bij de ontwikkeling van suikerriet, een belangrijk marktgewas voor de veroveraars. In een korte tijd verspreidde het roken van gedroogde bladeren zich van inwoner naar slaaf, veroveraar en zeeman wat tot de verspreiding van tabak en tabakszaden rond de wereld leidt.